Het vijfdaagse programma van dit duo werd één intensieve week. Van 19 tot 22 april waren de leerlingen elke dag in het museum om het er van binnen en van buiten, van depot tot expo en van voor tot achter de schermen te leren kennen. De leerlingen maakten zich wegwijs in het museum, bakten uiteraard brood, experimenteerden met gisten in leven houden, speelden een depot-bingo, identificeerden objecten uit de collectie om aan de hand van eigen criteria te categoriseren, ...
Elke dag startte vanuit een andere insteek, van 'wat als je brood leeft?' en 'wat als er geen elektriciteit is?' tot 'Wat als je de baas van het museum was?'. Dat laatste was dan precies wat de leerlingen op Erfgoeddag hebben voorgesteld als slotmoment.
Verloop
Dag 1 - Wat als je de baas van het museum was?
Essentie: De leerlingen maken kennis met het concept van een museum, met de functies van een museum en met de collectie van het bakkerijmuseum
Inleiding:
- Wat is een museum?
- Samen regels maken - discussie
Midden:
- Voorwerp identiteitskaart uit de bakkerij collectie
- Seriëren van voertuigen
- Bingo in het depot
Slot:
- Halve foto van het museum: teken hoe jouw ideale museum er zou uitzien
Dag 2 - Wat als brood leeft?
Essentie: de leerlingen benoemen de ingrediënten die nodig zijn voor een brood en onderzoeken de eigenschappen van gist
Inleiding:
- Voorwerp van de dag rond brood
- Filosofisch gesprek: leeft brood?
Midden:
- Brood en ingrediënten: zintuigen
- Voedingsdriehoek brood
- Is brood gezond (E-nummers)
- Gist en schimmel: proefjes
Slot:
- Elfje
Dag 3: Wat als er een elektriciteitspanne is?
Essentie: De leerlingen bekijken de handelingen die er nodig zijn om met de ingrediënten een brood te maken. De leerlingen bekijken het brood bakken in het verleden, plaatsen het brood in de ruimte (verschillende soorten broden over de hele wereld) en de spreekwoorden en zegswijzen.
Inleiding:
- Voorwerp van de dag
- Brainstorm: wat als er geen elektriciteit zou zijn?
Midden:
- STEM activiteit rond malen
- Stappen in het maken van brood
- Wereldbakker: broden van de wereld (kaartoefening: plaatsen in ruimte)
- Bakken vroeger en nu (tijdlijn: plaatsen in tijd)
Slot:
- Bewegingsmachine brood bakken
Dag 4 en 5: Aan de slag
Essentie: De leerlingen zoomen in op het leven van de bakker en maken een eigen brood
Inleiding:
- Voorwerp van de dag
Midden:
- Beeldactiviteit met afdrukken zoals bij speculoos
- Eigen brood maken en stemmen op een klasbrood
Slot:
- Geluidencollage met de geluiden van kneden/malen/bakken
Wat als jouw brood leeft?
Waarom zit er gist in ons brood? En wat doet die gist dan juist? De leerlingen experimenteren met een opstelling om te zien wat gist nu doet en extrapoleren dit naar wat er in een brood gebeurd.
Benodigdheden:
- Minstens 5 ballonnen (die meermaals met de mond opgeblazen wordt en weer leeg loopt zodat ze wat 'losser' is)
- Vijf flesjes
- Gist
- Koud en lauwwarm water
- Suiker
- Zout
- Werkblaadjes om voorspelling te maken, waarnemingen te noteren en hier lessen uit te trekken.
In elke fles wordt gist gedaan.
- In één fles wordt koud water bij de gist gevoegd - er gebeurd weinig tot niets
- In één fles wordt warm water gevoegd - er gebeurd weinig tot niets
- In één fles wordt koud water en 4 theelepeltjes suiker toegevoegd - de gist gaat trager schuimen en slechts lichtjes de ballon opblazen
- In één fles wordt warm water en 4 theelepeltjes suiker toegevoegd - de gist gaat schuimen en de ballon blaast zich een beetje op
- In één fles wordt warm water en zout toegevoegd - er gebeurd weinig tot niets
De leerlingen maken bij elke opstelling eerst een inschatting van wat er gaat gebeuren. Dan wordt alles toegevoegd en even gewacht. De leerlingen observeren wat er gebeurd in de fles en met de ballon. Ze analyseren wat ze zien en trekken conclusies, aangevuld met informatie van de begeleider.
Gist is een micro-organisme dat voedingstoffen nodig heeft om te overleven. Het 'eet' suiker. Lauw water helpt de gist om die suiker sneller te verwerken, koude vertraagt het proces een beetje. Bij het verwerken van suiker maakt gist belletjes (het schuim). Dit is koolzuurgas dat vrijkomt. Gist kan ook voedingstoffen uit meel halen en die omzetten in suiker. Dus als je in je deeg van bloem en lauwwarm water gist toevoegd, dan kan die gist zich voeden met het meel en koolzuurgas aanmaken. Dit gas doet het brood 'rijzen' en maakt het deeg luchtig. Zout vertraagt en remt dit proces.
Wiek en weeg
Tijdens de erfgoedklas leert de klas over de weg van graan tot brood. De korrels moeten gemalen worden tot meel (en die meel wordt dan gezuiverd tot bloem). Dat werd aanvankelijk gedaan met maalstenen. Die werden met de hand over elkaar gedraaid, of wat groter met dierlijke spierkracht. Het gebruik van windkracht om deze lastige klus te klaren was een grote doorbraak. Talloze resterende molens, zowel bij steden als ten lande, getuigen van de noodzaak die er was om graan te verwerken tot een product waarmee brood gemaakt kon worden.
Dit was de aanleiding voor een korte STEM-oefening rond windkracht en wieken: hoeveel wieken heeft een windmolen nodig?
Verloop:
De leerlingen worden verdeeld in groepjes. Onderling selecteren ze een drietal cases met een verschillend aantal wieken om uit te proberen. Vervolgens moeten ze a.d.h.v. een cirkel berekenen en uittekenen hoe ze dat aantal wieken netjes gelijkmatig kunnen verdelen. Ze beschikken over losse wieken die ze in een piepschuimen balletje kunnen prikken. Hiermee bouwen ze een windmolen. De as waar het piepschuimen bolletje op vastgemaakt wordt, draait mee. Hieraan wordt een touwtje met wat ballast vastgemaakt. De leerlingen blazen met een haardroger richting hun gemaakte molen en observeren wat er gebeurd. Draaien de wieken snel/traag/niet? Kan de windmolen het gewichtje optillen, of vangen de wieken niet voldoende wind om genoeg kracht te leveren? Wat gebeurd er bij meer of minder wieken?
Benodigdheden:
- Emmers met zand
- Borstelstok
- Rietjes
- Piepschuimballen met diameter 8 cm
- Wieken (gemaakt uit petflesjes)
- Touw
- Ballast (bijvoorbeeld wat moeren)
Leerplandoelen GO
WO Mens en maatschappij - historische tijd
3.4.5.16 Enkele actuele toestanden en gebeurtenissen uit de regio relateren aan het verleden (gebouwen, feestdagen, tradities …).
3.4.5.17 Elementen uit de omgeving als historisch herkennen.
3.4.5.18 Eenvoudige geschiedkundige informatie halen uit historische sporen uit de omgeving (gebouwen, straatnamen, kerkhoven, voorwerpen …).
3.4.5.20 Eenvoudige informatie halen uit historische geschriften, prenten, schilderijen, foto’s, films … die handelen over de omgeving.
3.4.5.22 Actuele toestanden over de eigen omgeving, die voor kinderen herkenbaar zijn, aan de hand van gepaste bronnen vergelijken met toestanden uit het verleden.
3.4.5.26 Actuele toestanden die voor kinderen herkenbaar zijn, aan de hand van gepaste bronnen, in hun historische ontwikkeling illustreren. Bijv. onderwijs, mode, techniek, vrije tijdsbesteding …
3.4.5.28 De vijf historische periodes chronologisch situeren met aanduiding van al dan niet afgerond begin- en eindjaar en eventueel het scharniermoment aangeven (prehistorie van … tot ca 3800 v.Chr., oudheid tot ca 500, middeleeuwen tot ca 1500, nieuwe tijden tot 1945, onze tijd).
3.4.5.30 Aan de hand van eenvoudig, aan hun niveau aangepast bronnenmateriaal, aspecten van het leven van mensen vroeger reconstrueren.
3.4.5.32 Aan de hand van eenvoudig, aan hun niveau aangepast bronnenmateriaal verschillen en overeenkomsten aangeven tussen aspecten van het leven vroeger en nu.
3.4.5.33 Een aantal geschiedkundige feiten, personages, gebeurtenissen, toestanden, ontwikkelingen … in de juiste periode situeren: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, nieuwe tijden, onze tijd (zie lijst inhouden, bijlage p. 97).
3.4.5.34 Eenvoudige relaties leggen tussen geschiedkundige feiten, gebeurtenissen, toestanden, ontwikkelingen...
3.4.5.38 De leerlingen tonen belangstelling voor het verleden, heden en toekomst, hier en elders.
3.4.5.39 Beseffen dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf
WO: Natuur
32103 | Algemene vaardigheden en attitudes |
| Verschillen onderscheiden in geluid, geur, kleur, smaak en voelen. |
32104 | Algemene vaardigheden en attitudes |
| Gericht waarnemen met alle zintuigen en die waarnemingen op een systematische wijze noteren. |
32105 | Algemene vaardigheden en attitudes |
| Onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese. |
32106 | Algemene vaardigheden en attitudes |
| Een houding van zorg en respect voor de natuur. |
32107 | Algemene vaardigheden en attitudes |
| Aantonen dat ze respect en zorg hebben voor de natuur vanuit het besef dat de mens voor zijn levensbehoeften afhankelijk is van het natuurlijk leefmilieu. |
32203 | Levende natuur | Planten | De belangrijkste delen van planten (ook bloem, meeldraad, stamper, vrucht) aanduiden, benoemen en in eigen woorden de functie ervan uitleggen. |
32218 | Levende natuur | Planten | Enkele voorbeelden geven van producten en grondstoffen die afkomstig zijn van planten (ons voedsel, hout, rubber, kurk …). |
32706 | Gezondheids-educatie | Voeding | Een aantal elementen in verband met voeding aangeven die de kans op ziekten verhogen (bijv. vervaldatum, versheid en bewaring van voedsel, hygiëne …). |
32203 | Levende natuur | Planten | De belangrijkste delen van planten (ook bloem, meeldraad, stamper, vrucht) aanduiden, benoemen en in eigen woorden de functie ervan uitleggen. |
32206 | Levende natuur | Planten | Planten met elkaar vergelijken op basis van minstens 1 gegeven criterium (bijv. vorm, kleur, vindplaats, vruchten, bloemen, eetbaar/niet eetbaar, nuttig/niet nuttig voor de mens …). |
32218 | Levende natuur | Planten | Enkele voorbeelden geven van producten en grondstoffen die afkomstig zijn van planten (ons voedsel, hout, rubber, kurk …). |